Onderweg
Hoofdstuk 05: Het geluid dat ik nooit vergat
8 min lezen
Luisterversie
Liever luisteren? Laat dit verhaal voorlezen, waar en wanneer het jou uitkomt.

Toen mijn vader weer vrij was, kwam hij terug naar huis. Voor mij betekende dat vooral dat hij weer dichtbij was. Maar thuis was ondertussen niet meer hetzelfde. De ruzies tussen mijn ouders waren er al langer: ik kende geschreeuw en boosheid, en ik had gezien dat een ruzie fysiek kon worden. Toch schoof de grens steeds verder op. Wat niet normaal was, begon voor mij normaal te voelen. Op een gegeven moment liep een ruzie zo ver uit de hand dat mijn moeder mijn vader in haar boosheid stak.
Dat is een zin die als volwassene zwaar klinkt. Als kind zag ik vooral wat er daarna gebeurde. Mijn moeder was namelijk ook degene die de ambulance belde en met hem meeging naar het ziekenhuis. Zo zag mijn wereld er toen uit. Het ene moment konden mijn ouders elkaar iets aandoen, en het volgende moment was degene die de ander iets had aangedaan ook degene die ervoor zorgde dat er hulp kwam. In het ziekenhuis werd mijn vader gevraagd wat er was gebeurd. Hij zei niet dat mijn moeder hem had gestoken.
Hij vertelde dat hij het zelf had gedaan. Je kunt veel over mijn vader zeggen, maar hij hield van mijn moeder. Dat geloof ik nog steeds. Nu ik ouder ben, weet ik dat liefde op zichzelf niet betekent dat een relatie gezond is, maar toen zag ik dat onderscheid niet. Ik zag twee ouders die met elkaar oorlog konden voeren, maar ook voor elkaar ten strijde konden trekken; die twee kanten bestonden naast elkaar. Er werden thuis dingen gezegd die ik nu heel anders hoor dan toen.
Mijn moeder dreigde soms dat ze mijn vader zou verlaten. Mijn vader kon daarop zeggen dat zij voor altijd bij elkaar hoorden. En als ze hem zou verlaten, zou hij haar omleggen. Wij hoorden dat meer dan eens. Als zulke woorden vaak genoeg vallen, worden ze voor een kind langzaam onderdeel van hoe de wereld werkt. Ergens begon ik zelfs te denken dat het misschien bij onze Antilliaanse cultuur hoorde: dat mannen en vrouwen elkaar liefhadden met vuur, dat ruzie en jaloezie daar gewoon bij hoorden.
Verhalen binnen mijn familie leken dat beeld alleen maar te bevestigen. Mijn oma had mijn stiefopa ooit met de auto proberen aan te rijden nadat hij was vreemdgegaan. Ik had als kind geen ander referentiekader. Misschien hoorde dit er gewoon bij. Misschien was liefde gewoon zo. Tot er een ruzie kwam die anders voelde. Mijn ouders hadden opnieuw ruzie. Heftig. Er werd geschreeuwd en gevochten. Alles wat ik inmiddels kende. Maar dit keer gebeurde er iets wat ik juist níet kende. Mijn moeder werd rustiger. Niet bozer.
Rustiger. De energie die normaal verder opliep, zakte bij haar ineens weg. Ze was het zat en zei tegen mijn vader dat hij zijn spullen moest pakken. Hij moest weg. Ze wilde dit niet meer. Mijn vader leek te begrijpen dat dit niet zomaar iets was wat midden in een ruzie werd geroepen. Dit keer meende mijn moeder het. Op een gegeven moment stapte hij onder de douche. Ik weet niet meer precies waar ik stond toen ik het hoorde. Maar ik hoorde hem. Huilen. Niet een beetje. Hard. Mijn vader huilde. Mijn held.
Mijn grote voorbeeld. De man tegen wie ik opkeek. Ik had hem speels, boos en sterk gezien, en ik had gezien hoe hij voor zijn gezin kon staan. Maar dit kende ik niet. Het geluid kwam van achter een deur waar ik mijn vader niet kon zien, maar juist daardoor leek het misschien nog harder binnen te komen. Ik had hem nog nooit zo gehoord, en dat geluid is mij altijd bijgebleven. Zelfs nu ik eraan terugdenk, kan het me kippenvel geven.
Mijn vader was niet ineens minder mijn held, maar voor het eerst hoorde ik dat er achter al die kracht nog iets anders zat. Iets wat pijn kon hebben. Iets wat kon breken. Ik had alleen nog niet de woorden om dat zo te begrijpen. Na het douchen vertrok hij; mijn moeder hield voet bij stuk, maar mijn vader gaf niet zomaar op. Hij kwam terug. Mijn moeder weigerde hem binnen te laten. Hij kwam opnieuw. Weer niet. En daarna nog een keer. Dat ging dagen zo door.
Op een gegeven moment probeerde hij zelfs via een raam boven naar binnen te klimmen. Opgeven was niet echt zijn sterkste kant. En ik zag ondertussen mijn vader buiten staan. Dezelfde vader op wie ik zo vaak had gewacht wanneer hij beloofde mij op te halen. Nu was hij degene die terugkwam, en was er binnen iemand die de deur niet voor hem opende. Voor mij was dat moeilijk te verdragen. Mijn vader hoorde niet buiten. Hij hoorde bij ons. Uiteindelijk kon ik het niet meer aanzien.
Ik deed stiekem de tuindeur voor hem open. Ik wilde helemaal niet dat mijn ouders uit elkaar gingen, maar mijn moeder dacht daar op dat moment heel anders over. Toen ze ontdekte wat ik had gedaan, was ze woedend. Ik kreeg een pak slaag. Ook dat begon in die periode steeds vaker voor te komen. Binnen de Antilliaanse opvoeding zoals ik die kende, was een corrigerende tik niet iets uitzonderlijks: een kind dat niet luisterde, kon een tik krijgen.
Alleen zouden sommige tikken die wij toen normaal vonden vandaag heel anders worden bekeken. Maar het bijzondere was dat mijn vader daarna wel weer mocht blijven. De straf die ik had gekregen? Die was het waard, tenminste zo keek ik er als kind naar. Mijn vader was weer binnen. Mijn moeder was er. Mijn zus was er. We waren weer samen. Voor mij voelde het alsof mijn actie had gewerkt, alsof ik iets had gerepareerd wat de volwassenen zelf niet konden repareren.
Natuurlijk was er veel meer aan de hand dan ik op dat moment kon zien. We gingen verder. Tot de volgende ruzie. Boosheid. Ruzie. Vechten. Uit elkaar. En elkaar daarna toch weer opzoeken. Dat patroon bleef terugkomen. Er kwam opnieuw een moment waarop mijn moeder vond dat het genoeg was, en mijn vader moest weer weg. Dit keer bleef het niet alleen bij een deur die voor hem dichtging. Mijn moeder vroeg uiteindelijk zelfs een straatverbod aan.
Later kwam er ook een verbod waardoor mijn vader zich niet meer in de staat mocht bevinden. Als kind begreep ik nauwelijks wat zulke woorden werkelijk betekenden. Een straatverbod: een verbod om ergens te mogen zijn. Het klonk officieel. Zwaar. Definitief misschien. Maar mijn ouders bleven elkaar opzoeken; er waren regels die zeiden dat mijn vader ergens niet mocht komen, en toch zag ik hen later weer samen. Daardoor verloren zulke verboden voor mij bijna hun betekenis.
Pas toen ik ouder werd, begon ik te begrijpen hoe uitzonderlijk sommige dingen waren die ik toen gewoon in mijn jeugd had opgenomen. Maar toen zag ik vooral twee mensen die elkaar soms niet leken te kunnen verdragen en elkaar tegelijkertijd niet los konden laten. Wat er ook tussen hen kwam te staan, ze vonden steeds opnieuw een weg terug naar elkaar. En iedere keer dat dat gebeurde, zag ik als kind vooral hetzelfde beeld. Mijn moeder. Mijn vader. Mijn zus. Ik. Mijn gezin was er weer. Voor even was dat genoeg.
Alle verhalen